De basiskwaliteiten van de stemplooien

Een update, door Alberto ter Doest

In de laatste jaren is de EVT cursus van Universal Voice Institute mee gegroeid met de kennis van de wetenschap en de bezochte symposia. Voor oud-cursisten daarom bij deze een update, maar voor iedereen goed om opnieuw eens te horen/lezen.

Wat zijn basiskwaliteiten?

Wat zijn basiskwaliteiten en waarom hebben we een indeling in basiskwaliteiten nodig? Een basiskwaliteit is een kwaliteit waarin de stemplooien op een bepaalde manier vibreren. Ze hebben een duidelijk karakter en zijn goed herkenbaar voor het oor. Muzikale stijlen zijn er goed in onder te verdelen en artiesten zijn goed te herkennen aan de kwaliteit waarin ze overwegend zingen.

Spraak, Falset, Cry en Belting

De basiskwaliteiten bestaan uit de primaire kwaliteiten: spreken, fluisteren, zingen en roepen. Oftewel: Spraak, Falset, Cry en Belting. Deze 4 basiskwaliteiten zijn afgeleid uit de manier waarop onze stemplooien binnen hun mechaniek vibreren. Het mechanische gedeelte bestaat uit het Cricoid (ringkraakbeen), Thyroid (schildkraakbeen), de Arytenoiden (arybeentjes) en de stemplooien er tussenin. De manier waarop het mechaniek werkt noemen we een mode.

Mode 1 en 2

Er zijn in de wetenschap twee modi: mode 1 en 2. Mode 1: ongerekte stembanden. Dit wordt ook genoemd: borststem, modaal register, dikke stemplooien, overdrive, chest register, breitschwingung, heavy register of TA (Thyro-Arytenoid spier) dominant. De TA spier is het belangrijkst voor het maken van de klank.

Mode 2 is: gerekte stemplooien. Dit wordt ook genoemd: kopstem, falset register, dunne stemplooien, neutral, light register, Randschwingung, of CT (CrycoThyroid spier) dominant. De CT spier is het belangrijkst voor het maken van de klank. Dit zijn zo ongeveer de termen die je in verschillende talen vindt, die door verscheidene docenten en in diverse boeken worden gebruikt.

Er wordt ook gesproken van een mode 0, waar de stemplooien onregelmatig vibreren. Dit hoor je in vocal fry, death screams en grunts. Deze mode laten we hier buiten beschouwing.

Variaties binnen alle modi

Mode 1: Speech en belt

Binnen alle modi heb je ook nog variaties. In mode 1 heb je een spreekklank en een roepklank. We gebruiken hier de termen speech en belt. Het mechaniek voor deze twee kwaliteiten wordt gemaakt door het thyroid (schildkraakbeen) en het cricoid (ringkraakbeen) recht op elkaar te laten staan. Dat betekent dat de stemspier, de thyro-arytenoid spier, dominant is bij foneren (geluid maken).

De twee verschillen in de namen komen voort uit het karakter van de klank. Dit wordt bepaald door binnen het mechaniek, de dikte van de stemplooimassa te veranderen. Bij speech zijn de stemplooien dik, sluiten van onder naar boven met veel massa. Ze zijn lang gesloten voordat ze weer open gaan.

Bij belting is er nog meer dikte in de massa en zijn de stemplooien nog langer gesloten. Dit komt door compressie, beweging naar de middenlijn, van de stemplooien. Hierbij worden de stemplooien bij hogere tonen ook iets korter in lengte. Daardoor is er bij belting meer sub glotale druk (druk onder de stemplooien) dan bij speech.

Mode 2: Cry en falset

Binnen mode 2 vind je een “gehuilde, jammerende” klank of een klank met een fluisterkarakter. We gebruiken hiervoor de termen cry en falset.

Nu wordt in het mechaniek het thyroid (schildkraakbeen) naar voren en beneden gekanteld. De CT (crycothyroid spier) is actief en veroorzaakt deze kanteling. Vandaar de term CT dominant. De Thyro-Arytenoid, de stemspier, moet meer ontspannen om dit mogelijk te maken en wordt uitgerekt.

De twee verschillen binnen mode 2 hebben te maken met het karakter: 1. een heldereklank of 2. een geaspireerde klank. Hierbij verandert de massa van de stemplooi. De cry klank heeft stemplooien die mooi dun-gerekt naast elkaar liggen bij de middenlijn. De stemplooien sluiten licht tegen elkaar en er is maar kort contact tussen de stemplooien. Hierbij is de sub glotale druk laag.

De falset klank heeft een andere stemplooi sluiting. Bij de stemplooien is er gedeeltelijk geen sluiting, ze blijven een beetje uit elkaar. De arytenoiden (bekervormige kraakbeentjes) sluiten niet volledig. Er is dus geen complete sluiting van de stemplooien waardoor er bijna geen sub glotale druk is.

Hoe zit het met opera en twang?!

In Level 2 van de EVT cursus zijn opera en twang ook basiskwaliteiten. Maar dit zijn uiteraard variaties op de echte basiskwaliteiten. Hier zijn naast een basismode andere aspecten als zangersformant, larynx positie en tongpositie belangrijk. Samen bepalen zij het karakter van de klank waardoor we spreken van opera of twang. Dit is ook mogelijk in pop, jazz, kleinkunst, liedkunst, fado etc.

Download hier het hele artikel