Selecteer een pagina

Ademsteun, Ademstroom & Ademdruk – deel 2

Stemplooien en ademhalingsspieren

In het artikel Ademsteun, Ademstroom & Ademdruk – deel 1 heb je kunnen lezen dat klankkwaliteit de mate van ademdruk en ademstroom bepaalt. De afgifte van de adem wordt dus grotendeels bepaald door de stemplooien. Zij laten een bepaalde hoeveelheid lucht passeren of houden dit juist tegen waardoor de randen een bepaalde luidheid geven aan de trillingen per seconde. Het proces kan ondersteund worden door de ademhalingsspieren, maar kan helaas ook juist gefrustreerd worden door diezelfde ademhalingsspieren.

Vandaar dat we nu ingaan op welke spieren er waar werken, hoeveel moeite zij moeten doen en in welke richting. We concentreren ons op de ademcontrole voor het foneren. Dus niet de ademhaling bij rust, de autonome ademhaling of passieve ademhaling waarbij de myo elasticiteit van de alveoli, tussenribspieren en het middenrif de uitstroom van lucht tot aan het rustende uitademingsniveau brengen om vervolgens weer in te ademen.

3 typen ademcontrole

Er zijn voor de verschillende kwaliteiten 3 typen van ademcontrole. Een hoge ademcontrole, een lage ademcontrole en een midden of flank ademcontrole. Er is altijd een samenwerking tussen de hoge midden en lage ademcontrole. Ademcontrole is altijd een combinatie van borstbeen, tussenribspieren en buikspieren. Bij elke inademing gaat het middenrif altijd naar beneden en de tussenribspieren naar buiten! Een goede houding faciliteert dit proces beter. Wanneer we dan spreken over hoge, midden of lage ademcontrole dan bedoelen we de locatie waar we moeite doen om de juiste hoeveelheid luchtstroom of luchtdruk te ondersteunen bij de gewenste klankkwaliteit.

De hoge ademhaling wordt veel gebruikt in de popmuziek, in de luidere kwaliteiten, in belt maar ook in opera. De lage ademhaling wordt voornamelijk gebruikt in de klassieke muziek, jazz en kleinkunst. De midden ademhaling kan in elke stijl worden toegepast.

Hoge ademhaling

Het borstbeen gaat voornamelijk omhoog en de tussen-ribspieren werken mee om een grote open borstkas te creëren. Bij de hoge ademcontrole ligt dus de aandacht op het sternum (borstbeen) en bij de afgifte van luchtstroom regelen we deze door de mate waarin we het borstbeen laten zakken.

Midden ademhaling

Richt de focus op de tussenribspieren, de flanken. Ook nu zal bij de inademing het middenrif dalen, flanken uitzetten en het borstbeen dus omhoog gaan. De aandacht ligt dus echt op de flanken en de mate van wijd houden of naar binnen laten gaan is hetgeen wat we leren voelen.

Lage ademhaling

Hier ligt de focus op de buikspieren en dan met name de schuine en de dwarse buikspieren. Nu zal de meeste in- en uitgaande beweging bij de buikspieren gebeuren en zullen de flanken en het borstbeen zo lang mogelijk in de inademingspositie blijven. In een Ellectro Myografie Studie (Campbell 1952) is aangetoond dat de lange buikspieren, de rectus abdominus, weinig tot niets doet bij ademcontrole.